Azzeccato. Italiaans voor de spijker op z’n kop.
Koningsnacht jongstgeleden. Oranje mensen, harde muziek, lange rijen. En prijzen die deden vergeten dat dit een feest voor ons allemaal zou moeten zijn. De kers op de taart: een biertje voor een bedrag waar je een fles wijn voor zou kunnen kopen.
De dag na Koningsnacht. Mijn oudste zoon, over de prijzen: ‘Wat is dat nou voor een feest voor de koning? Als het een echt feest was, zouden ze de prijzen op zo’n dag halveren. Dán zou het pas hét feest van de koning zijn.’
Hij had een punt. Een scherpe observatie die de kern raakt.
Want we voelen het allemaal, geloof ik. Dat het feest langzaam iets wordt waar niet iedereen meer bij kan.
En toch gaan we. Toch betalen we. Omdat we mee willen doen — en omdat we denken dat één persoon toch niets verandert.
Maar als we dit allemaal voelen — zoals ik uit menig gesprek opmaak — wat weerhoudt ons dan om er iets van te maken? Wat als eenieder van ons zou kijken wat hij kan inleveren, missen, halveren — zodat het voor iedereen weer een feest wordt?
Een gedurfde gedachte. Misschien naïef. En toch.
Wat weerhoudt jou om alvast te beginnen met minder?