Afgelopen zondag zat ik voor de tv. De laatste etappe van de Giro d’Italia Women stond op het programma — en ik wilde het niet missen. Rond twee uur ’s middags zou de eerste grote klim komen. Dáár zou het gebeuren. Of Anna van der Breggen haar rozetrui kon verdedigen. Op papier leek het een formaliteit, met een zeer ruime voorsprong.
Ik positioneerde mezelf op de bank. Geduldig wachtte ik tot kwart over drie, toen de wedstrijd eindelijk live begon. In de tussentijd hield de teleprompter me zoet. En inderdaad: Van der Breggen verdedigde haar voorsprong. Geen verrassingen. Dacht ik.
Maar dan. Halverwege de laatste klim ontsnapt Demi Vollering. Ze móest ook — want de aanval van Niedermaier had plots ook haar tweede plek in gevaar gebracht. Een achterstand van anderhalve minuut. Die ze in twintig minuten dichtfietste. Het leek onmogelijk. En toch. Het gebeurde.
Ik genoot ontzettend van dat moment. De eindoverwinning had ik beiden gegund — maar wat volgde in het interview met Vollering, dat raakte me.
“Ik was klaar om te verliezen. Want alleen vanuit die positie kun je gaan winnen. Dat had ik heel de dag in mijn hoofd.”
Haar ploeg had zaterdagavond aan tafel beslist: we gaan all-in. Het plan was gewaagd. Vollering mocht zelfs haar tweede plek op het spel zetten — juist om Van der Breggen te dwingen achtervolgen. En dat werkte. Perfect. Ze loste Van der Breggen. Anderhalve minuut goedgemaakt. De rozetrui gewonnen.
Durven verliezen. Ik heb het moeten leren. Lang hield ik me in. Een beetje ingedekt. Want als je verliest terwijl je niet alles hebt gegeven, kun je jezelf nog altijd iets wijsmaken. Maar eerlijk gezegd vond ik verliezen ook niet zo erg — omdat ik winnen van de ander altijd moeilijk vond. Want dan is de ander de verliezer. En ik wilde niet degene zijn die de ander deed verliezen. Anderen fietsten anders in de wedstrijd. Die konden slecht tegen hun verlies, en wilden júist dáárom winnen.
Gaandeweg vond ik een weg om die innerlijke rem los te laten. Door niet meer te willen winnen van de ander. Maar van mezelf. En te ontdekken: als je niet bang bent om te verliezen, kun je eigenlijk alleen maar winnen. Want dan begint het spelen. Het ontdekken.
Durven spelen en ontdekken vraagt iets. Het vraagt om durven verliezen — van jezelf, niet van de ander. Want pas dan kun je echt gaan. Onbevangen. Vrij. Ontspannen. In plaats van verbeten, krampachtig en verhardend. En dat geldt niet alleen op de fiets.
In de omgang met mensen die je lief zijn. Met collega’s. In keuzes die je moet maken.
Wat zou je doen als verliezen geen bedreiging meer was? Waar zou jij meer all-in gaan?