
De vlam is inmiddels gedoofd in Italië. En de vlag is overgedragen aan Frankrijk. Op de pleinen, in de arena’s, blijft het collectieve geheugen. De Olympische Spelen hebben weer helden voortgebracht die met ogenschijnlijk bovenmenselijke kracht de grenzen van het mogelijke verleggen. Namen die straks klinken als marmer: tijdloos, onaantastbaar, bijna goddelijk. We kijken naar hen zoals de oude Grieken naar hun kampioenen keken — half mens, half mythe. En ergens, diep vanbinnen, fluistert het: zou ik dat ook kunnen zijn?
De verleiding van grootsheid is van alle tijden. Maar vóór we ons laten meeslepen door het verlangen naar een podium en een krans van laurier, laten we nog één keer teruggaan. Naar Orfeus de Grote.
Orfeus — zoon van een muze, gezegend met een stem die de natuur zelf tot stilstand bracht. Bomen bogen, rivieren vertraagden, dieren legden hun angst neer aan zijn voeten. Hij zong niet alleen; hij herschiep de wereld in klank. Toen zijn geliefde stierf, daalde hij af in de onderwereld, gewapend met niets dan muziek en liefde. En zelfs daar, waar geen sterveling thuishoort, week het duister voor hem. Hades luisterde. Persephone weende. Eurydice mocht terugkeren — op één voorwaarde. Orfeus mocht niet naar haar kijken tot hij de bovenwereld heeft bereikt.
We kennen het moment. Net voor hij de bovenwereld had bereikt – uit twijfel, uit verlangen – keek hij om.
Orfeus werd legende door zijn gave en zijn tragedie. Zijn naam overleefde hem, gegrift in verhalen die millennia dragen. Grootsheid heeft een prijs, en soms is die prijs eenzaamheid — want wie kan nog naast een mythe bestaan?
Wat minder vaak verteld wordt, is dat Orfeus een broertje had.
Geen muze-bloed, geen goddelijke stem. Hij speelde geen lier die bergen verplaatste. Hij zong niet voor koningen of goden, maar voor wie toevallig in de buurt was. Hij bleef op aarde, tussen mensen, waar het leven klein en tastbaar is. Hij trouwde, verloor ook, lachte weer, werkte, rustte. Soms zat hij ’s avonds buiten en hoorde in de verte iemand een lied spelen dat hem aan zijn broer deed denken.
Hij werd geen legende. Zijn naam verdween.
Maar hij kende iets wat Orfeus nooit vond: een bestaan dat niet voortdurend boven zichzelf hoefde uit te stijgen. Geen afdaling naar de onderwereld, geen blik die de geschiedenis ingaat. Alleen dagen die zich aaneenregen tot een leven — vol genoeg.
Terwijl we kijken naar Olympiërs die grenzen doorbreken en de tijd tarten, is het verleidelijk te denken dat waarde alleen in uitzonderlijkheid ligt. Dat impact gelijkstaat aan grootsheid. Dat een leven pas telt wanneer het zichtbaar is, meetbaar, herinnerd.
Maar misschien schuilt er een ander soort heldendom in het onmythische. In het leven dat niet groter wil zijn dan het is. In de keuze om geen Orfeus te worden — en toch volledig te leven.
Want zeg eens eerlijk: waarom wil je per se iets groots bereiken? Impact maken? Of zoek je, ergens daaronder, gewoon betekenis?